Ontwerp

1. STIJLKENMERKEN

Het bijzondere gebouw, waarvan de eerste stenen in 1781 zijn gelegd, heeft alle kenmerken van het opkomende classicisme. Belangrijke kenmerken van deze sterk op monumentaliteit gerichte stijl, zijn met name het fronton en de toepassing van zuilen. Deze elementen, afkomstig uit de klassieke Griekse en Romeinse architectuur, vinden we zowel in Nederland als daarbuiten, ook terug in de ontwerpen van bijvoorbeeld grote grachtenhuizen en buiten­plaat­sen, welke een zekere grandeur en voornaamheid moeten uitstralen, goede voorbeelden van gebouwen met dezelfde stijl elementen zijn:
* Het gemeentehuis van Groningen
* Het Amsterdamse “Trippenhuis”
* Het Mauritshuis Den Haag
* De Zaanse koopmanshuizen met houten frontons.

Toch is de bouwstijl nog enigszins aangepast aan de stijl van de achttiende eeuw, welke werd gekenmerkt door vloeiende lij­nen, een en ander is goed te herkennen aan de afgeronde en enigszins in­springende hoeken van het gebouw en de afgeronde koepel.

2. ARCHITECT

De ontwerper, Johannes Samuel Creutz (bouwheer) was de eer­ste “directeur der Werken van de stad Amster­dam”, hij werd bijge­staan door een opzichter genaamd Samuel Daesdonk, welke later de ontwerper zou worden voor de stenen gevel van het koopmans­huis d’ Mol (thans op de Zaanse Schans). Creutz was een veelzijdig man; naast bouwheer was hij docter in de filosofie en lid van de “Hollandse maatschappij der we­tenschappen”.

3. AANBESTEDING/BOUWTIJD/BOUWKOSTEN

De bouwheer heeft overigens zijn eerste plan voor het gebouw niet kunnen uit­voeren, want bij de eerste aanbesteding op 10 juni 1780 bleek het plan te duur uit te vallen, waarna Creutz de op­dracht kreeg een tweede, eenvoudiger opzet te maken. De aanbesteding van het nieuwe bouwplan vond plaats op 11 november 1780, de bouwtijd bedroeg daarna twee jaar en drie maanden, gedurende die tijd kwam het werk nog enkele keren stil te liggen. De bouwkosten bedroegen destijds Hfl. 37.750,–

4. TEKENINGEN/BESTEK

De werkomschrijving is bewaard gebleven en omvat vijf aparte bestekken, welke veel hebben bijgedragen aan de kennis en geschiedenis van de Zaanse bouwkunst.

5. FUNDATIE

Het nagenoeg vierkante gebouw rust op een fundatie die geheel volgens de toenmalige regels is uitgevoerd:
* Houten palen van verschillende lengtes (het merendeel z.g. “masten”).
* Daarop, circa 40 cm onder het grondwaterniveau houten kespen (een zware eiken houten plank, circa 4 duim dik en 9 duim breed, met houten nagels op de paalkoppen vastgezet).
* Vervolgens het fundament hout en het met stelwerk.

Dat deze methode kennelijk nog niet zo slecht is moge blijken uit het feit dat het gebouw, ondanks het hedendaagse zware verkeer, nog altijd vrij van scheuren en verzakkingen is. Een vergelijking met houten woonhuizen, welke veel eerder verzakkingen vertoonden is echter niet eerlijk, omdat stenen gebouwen aanmerkelijk zwaarder werden onderheid.

Comments are closed.